Onderpresteren

Onderpresteren, gedrag is vaak logischer dan je denkt!

Vaak is bepaald gedrag van een kind een logisch gevolg van een dieper liggende oorzaak die vaak over het hoofd wordt gezien. En als deze oorzaak niet wordt onderkend of wordt veranderd, dan is het logische gedrag al snel verankerd bij het kind, omdat het handelt vanuit zijn gevoel.

Als een kleuter voor het eerst naar de basisschool gaat, wordt hij of zij vaak door zijn omgeving gevoed met opmerkingen als: “nu ga je echt leren” op school. En als ouders of opa’s en oma’s dit vaak zeggen, wordt dit al snel een overtuiging bij dit kind.

Een kind in groep 1 heeft een behoefte waar op dat moment nog niet aan is voldaan, namelijk : ik kom hier om iets te leren. Zo’n behoefte roept een bepaalde mate van ‘stress’ op bij het kind. Hij of zij is afhankelijk van de juf en vraagt om meer (cognitief) aanbod. Bijvoorbeeld een moeilijkere puzzel of werkje. Als hier door de juf aan wordt voldaan, merkt het kind dat zijn ‘stress ervaring’ minder wordt en in zijn behoefte wordt voldaan. Tot dusver een positieve ervaring voor het kind.

Bij een (hoog)begaafd kind ligt deze situatie vaak net iets anders. Als een hoogbegaafde kleuter naar groep 1 gaat, heeft hij of zij daar ook hoge verwachtingen van: “eindelijk ga ik iets nieuws leren”, vooral omdat het spelen op een peuterspeelzaal vaak al te weinig uitdaging en nieuwe prikkels biedt.

Ook dit kind heeft de behoefte waar nog niet aan is voldaan, namelijk nieuwe (cognitieve) uitdaging. Dus ook bij dit kind een bepaalde mate van stress om in deze behoefte te voldoen. Het kind is weer afhankelijk van de juf voor ander of uitdagender werk. Als het kind vraagt aan de juf om moeilijker werk kan het zijn dat als gevolg van tijdgebrek, geen aanbod of dat de juf je vertelt dat je pas in groep 3 echt aan het leren moet, het kind al direct een negatieve ‘stress’ ervaring opdoet. Er wordt immers niet aan de behoefte voor extra uitdaging voldaan.

Het kind zal na een dergelijke ervaring op zoek gaan naar een andere strategie, zodat wel wordt voorzien in zijn behoefte of welke in elk geval minder stress veroorzaakt. Het kind gaat kiezen om stress te ontwijken en gaat het ‘leren’ uit de weg, want dat levert een negatieve ervaring op. In groep 1 is de keuze voor spelen dan snel gemaakt. Met andere kindjes in de poppenhoek levert plezier op, dus wordt eventuele uitdaging vanaf nu zoveel mogelijk vermeden. Een eerste aanzet tot ‘onderpresteren’.

Hetzelfde geldt eigenlijk voor het aangaan van relaties voor het jonge (hoog)begaafde kind. Ieder kind heeft behoefte aan vriendjes en vriendinnetjes om zich heen op school. Iedereen wil een relatie tot een ander in zijn of haar leven.

Een (hoog)begaafd kind merkt echter dat het contact leggen met andere kinderen van zijn of haar eigen leeftijd niet zo makkelijk gaat, omdat het ‘anders’ is dan de andere kinderen. Dus het contact leggen werkt niet. Dus zal het kind op zoek gaan naar een andere strategie. Het kind gaat kijken wat andere kinderen doen. En gaat zich aanpassen aan het gedrag van de andere kinderen, want dan krijgt het én complimenten van de juf en merkt dat de andere kinderen hem of haar ineens wél leuk vinden. En ineens zullen de kinderen wel samen willen spelen en afspreken. Het kind leert dus nu dat aanpas-gedrag goed werkt en minder ‘stress’ oplevert.

Op moment dat het kind op school een ‘moeilijke’ taak krijgt en zich op dat moment niet ‘competent’ voelt zal het ontwijk gedrag gaan vertonen. (liegen, stampij maken) Ook hierdoor probeert het kind voor zichzelf ‘stress’ te vermijden. Het kind zal het uitdagender werk als moeilijk ervaren ,omdat het niet gewend is om zich in te spannen om tot succes te komen. Daarnaast ontbreekt het hen vaak aan zelfdiscipline om te starten aan een taak (Taakinitiatie) en een taak tot een goed einde te brengen. (Doorzettingsvermogen). Daarnaast zoeken ze de oorzaak vaak buiten zichzelf en zetten ze zich af tegen autoriteit. (ouders/leerkracht) Ze zullen echter moeten leren en ervaren dat fouten mag (soms zelfs móet om jezelf te ontwikkelen en te leren) en dat hulp vragen aan de leerkracht erbij hoort.

Het startpunt om onderpresteren te vermijden of te verhelpen ligt voor een groot deel in de omgeving van het kind. Het gedrag van het kind zal hoogstwaarschijnlijk al veranderen op moment dat het :
- Voldoende cognitieve uitdaging heeft (leerstof aanbod op maat)
- Het zich in een sociaal veilige omgeving bevindt, waar het kind zich gehoord, gerespecteerd en geaccepteerd voelt, zoals hij of zij is. (mogelijk plaatsing tussen ontwikkelingsgelijken noodzakelijk)

Echter op moment dat een kind al enige tijd onder presteert, zit de oplossing in het aanleren van zelfsturend vermogen en het ontwikkelen en aanleren van leer strategieën. Het beeld bij ‘leren’ hoort te zijn : iets wat ik nog niet weet of kan, moet ik goed oefenen, zodat ik het daarna wel kan en beter beheers. Dat levert een succes ervaring op en een positief gevoel. Dat maakt leren leuk!

(Hoog)begaafde kinderen ervaren echter vaak jaar in, jaar uit dat ‘leren’ betekent dat ze iets wat ze al weten en kunnen, vaak moeten herhalen, zonder dat het voor hen enige toegevoegde waarde heeft. Dit leidt onherroepelijk tot onderpresteren, door:
  • Gebrek aan uitdaging
  • Gebrek aan motivatie
  • Aanpasgedrag, waarbij onderpresteren als verdedigings mechanisme wordt ingezet.

Dit heeft vervolgens weer tot gevolg dat het kind een negatief zelfbeeld krijgt en weinig zelfvertrouwen, omdat het ervaart niet aan de verwachtingen te voldoen. Juist als gevolg van te weinig uitdaging. De driehoek: ouders- leerkracht – kind moeten intensief gaan samenwerken om het zelfbeeld te veranderen. Daarbij kunnen kinderen ook lichamelijke klachten als buikklachten krijgen als gevolg van bijvoorbeeld faalangst. Tijdelijke begeleiding van een specialist in hoogbegaafdheid buiten school, kan hierbij een extra steuntje in de rug zijn.

Op school heeft het kind extra aandacht en begeleiding nodig van de leerkracht.
  • laat het kind merken dat het er mag zijn zoals het is
  • probeer met schoolwerk in eerste instantie aan te sluiten op de interesses van het kind. Een kleine succeservaring zal de motivatie bevorderen, om stap voor stap ook weer ander schoolwerk te gaan proberen.
  • Als het kind behoefte heeft aan extra uitdaging, ga dan hierin mee en kijk wat de effecten zijn op zijn of haar inzet, motivatie en werkhouding.
  • Geef complimenten op inzet en niet op resultaat, het gaat tenslotte om het bevorderen van het leerproces.
  • Belangrijkste is te sturen op het eigen leerproces van het kind.

De intrinsieke motivatie moet weer de overhand gaan krijgen. Waarbij in eerste instantie, afhankelijk van leeftijd van het kind, gewerkt kan worden met beloning als extrinsieke motivatie. Bijvoorbeeld werken aan werkstuk vanuit interesse van het kind.

Mocht het aanpassen van het leerstof aanbod op school niet voldoende zijn, is individuele begeleiding van het kind, gericht op het aanleren van vaardigheden, een van de mogelijkheden. Hierbij wordt er naar het kind geluisterd, wat het echt nodig heeft om zijn talenten volledig te kunnen inzetten en te benutten. Deze begeleiding is maatwerk en volledig aangepast op wat uw kind nodig heeft.



Bel voor meer informatie: 06-54627202